Sonja De Smedt begeleidt daklozenwandeling in Brussel: ‘Dakloosheid is roofbouw op je lichaam: een jaar op straat eist zeven jaar van je lichaam’
Bij een stadstour door Brussel denk je aan het Atomium of Manneke Pis, maar stadsgids en docente kunstgeschiedenis en filosofie Sonja De Smedt (65) denkt daarbij ook aan armoede en de Marollen – de oudste volksbuurt van Brussel. Haar wandeling “armoede en de kunst van het overleven” is al twintig jaar een begrip in Brussel. ‘Als voorbereiding op deze wandeling leefde ik zelf vier maanden op straat.’
‘Wijsheid komt voort uit het besef van eigen onwetendheid.’ Met deze woorden van Socrates verwelkomt de excentrieke Sonja De Smedt ons in de inkomhal van het Brusselse Centraal Station. Ze is de voorzitster van vzw Polymnia, een organisatie die al meer dan veertig jaar alternatieve gastronomische, culturele en historische stadswandelingen in onze hoofdstad aanbiedt. Zo’n twintig jaar geleden werd het aanbod verruimd met de zogenaamde daklozenwandeling “armoede en de kunst van het overleven” waarbij de stadsgids je een inkijk geeft in het leven van een dakloze in Brussel.
Een probleem dat twee decennia geleden al maatschappelijk relevant was, lijkt helaas met de jaren groter te worden. Zo meldde hulporganisatie Dokters van de Wereld vorig jaar nog dat het aantal daklozen in Brussel meer dan verviervoudigd is tussen 2008 en 2022.
Veldwerk op straat
‘Op een dag loop ik rond in de Marollen en zie ik plots Chantal – een vroeger klasgenootje van mij – in de vuilbakken snuisteren met twee kindjes bij zich. Ik realiseerde me dat de vrouw waarschijnlijk slachtoffer was van generatiearmoede.’ Chantal verliet de schoolbanken al op 15-jarige leeftijd en kreeg net als haar moeder en grootmoeder kinderen op zeer jonge leeftijd. ‘Je kiest niet in welke wieg je wordt geboren’, concludeert Sonja die haar klasgenootje daarna nooit meer heeft gezien.
De Brusselse was diepgeraakt door het verhaal van Chantal. ‘Ik zag al heel mijn leven armoede in onze hoofdstad, maar wist niet hoe het leven op straat er echt aan toe ging.’ In 2004 start Sonja een persoonlijk project. ‘Ik besloot om vier maanden zelf op straat te leven.’ Haar “veldwerk” bleek de beste voorbereiding op de daklozenwandeling. Ze maakte kennis met nieuwe organisaties die zich inzetten voor daklozen, maar leerde vooral het verhaal van de mens achter het label kennen.

‘Een mens is niet gemaakt om op straat te leven’
De stadsgids besloot om zich aan te sluiten bij een groep daklozen of een squad. ‘Aanvankelijk waren ze zeer sceptisch en dachten ze dat ik een actrice of journaliste was die hun verhaal voor veel geld wou verkopen. Ik heb mijn idee eerlijk verdedigd en ben altijd mezelf gebleven. Zo koos ik ervoor om mijn eigen kleurrijke kleding te blijven dragen. Uiteindelijk leefde ik niet in armoede, want na die vier maanden kon ik gewoon terug naar mijn huis en gezin.’
Hoewel Sonja beschermd werd door haar squad eiste het leven op straat ook zijn fysieke tol. ‘We sliepen vaak in parkeergarages terwijl we de dampen van de bedwelmende uitlaatgassen inademden. Een mens is niet gemaakt om op straat te leven. Dakloosheid is letterlijk roofbouw op je lichaam: een jaar op straat eist zeven jaar van je lichaam.’ Ook Sonja had na vier maanden een waslijst aan fysieke klachten: schurft, luizen, vlooien, en zelfs tuberculose. ‘Ik zou het niet opnieuw doen, maar het was een noodzakelijke ervaring om het thema armoede op een eerlijke manier te kunnen brengen.’
Eigen melodie bepalen
Omdat ervaringsdeskundigen de beste manier zijn om een verhaal tot bij de mensen te brengen, leidde Sonja enkele daklozen uit haar squad – ondertussen trouwe vrienden – op tot stadsgidsen. Voor elke wandeling die ze samen met Sonja gidsten, kregen de gidsen vijftig euro en een gratis maaltijd. ‘Het gaf hen moed en zelfvertrouwen om afhankelijk te zijn van geld en terug een plaats in de maatschappij in te nemen.’
‘Ik wil geen geld, want dan bepaalt de geldschieter de melodie en ik wil me niet laten dirigeren.’
Sonja zelf verdient niets aan de tour en dat wil ze ook zo houden. ‘Wij zijn een van de weinige organisaties die het thema armoede behandelen en niet gesubsidieerd worden. Ik wil geen geld, want dan bepaalt de geldschieter de melodie en ik wil me niet laten dirigeren. Ik doe de daklozenwandeling ook niet voor mijn plezier, maar omdat het nodig is om dit facet van de maatschappij te tonen. Het is geen armoedetoerisme waarbij we daklozen aangapen, het moet de mensen juist tot besef doen komen.’
Hoewel de dakloze gidsen gemotiveerd waren, was het voor hen letterlijk een proces van vallen, opstaan en weer doorgaan. ‘Fysiek gezien kon mijn compagnon zo’n hele wandeling niet meer aan. Ze zijn het namelijk niet meer gewend om veel te wandelen en moesten vaak even gaan zitten. Dan nam ik het over.’ Helaas werden ook de vrienden en collega-gidsen van Sonja slachtoffer van het harde straatleven en hebben ze in een periode van vijftien jaar allemaal het leven gelaten. Als eerbetoon aan haar vrienden gidst Sonja nu alleen – maar met de verhalen van haar voormalige ‘compagnons’ – groepen geïnteresseerden door de Brusselse stad.
Opération Thermos
Terwijl we door de metrogangen van het Centraal Station lopen, begroet Sonja een dakloze man die ze twintig jaar geleden op straat ontmoette. Hij ziet er goed uit en lacht ons vriendelijk toe. ‘Hoewel hij hulp krijgt van een organisatie, vind je hem nog elke dag op straat. Eens iemand te lang buiten is geweest, kan je hem niet binnenhouden’, verklaart de stadsgids.
Doorheen het geroezemoes van opzwepende jazzmuziek vertelt Sonja over de vzw Opération Thermos die het hele jaar door eten uitdeelt aan daklozen. Hoewel heel wat organisaties hun best doen op hulp te bieden met de beschikbare middelen, raadt ervaringsdeskundige Sonja hen af om zoetigheid uit te delen: ‘Je wilt niet weten hoeveel taartjes ik heb gekregen tijdens mijn vier maanden op straat. Het zit vol suiker en is niet voedzaam. Heel wat daklozen hebben daarom diabetes. Daarvoor waren pateekes een teken van feest voor mij, maar vandaag doen ze me te veel denken aan het straatleven.’

Gedenkboom
Onze wandeling vervolgt zich naar het Albertinaplein, waar een man met vijf goedgevulde zakken naast zich op een grasveldje ligt en naar het scherm van zijn gsm staart. Volgens Sonja belandde deze man recent op straat: ‘Hoe minder spullen een dakloze bij heeft, hoe langer die al op straat leeft.’
‘Terwijl wij met ons eigen leven bezig zijn, regelt een dakloze zijn eigen uitvaart.’
Op het grasveldje staat ook een boom die het Collectief Straatdoden plantte ter herinnering aan alle Brusselse straatdoden. De organisatie verzorgt uitvaarten van daklozen om hen een waardig afscheid te bieden. Volgens Sonja zijn daklozen door hun eenzaamheid veel meer bezig met de dood: ‘Op een dag kom ik erachter dat een dakloze kennis van mij een doodskist had gevonden en die op verschillende plaatsen in de stad verstopte. Ik vroeg waarom hij dat deed waarop hij antwoordde dat hij in een echte kist begraven wou worden. Ik vond het schrijnend. Terwijl wij met ons eigen leven bezig zijn, regelt hij zijn eigen uitvaart.’

Voor wat hoort wat
We betreden we de Marollen – waar een derde van de bevolking onder de armoedegrens leeft – en wanneer we de Samaritaanstraat indraaien, overheerst naast de ijzige stilte op straat een geur die doet denken aan soep die je vroeger in de schoolkantine voorgeschoteld kreeg. Het is middaguur. We lopen voorbij het sociale restaurant Resto Du Cœur waar daklozen en mensen in armoede voor enkele euro’s een warme maaltijd kunnen krijgen.
Hoewel Sonja het initiatief apprecieert, vindt ze dat er iets schort aan het systeem: ‘Je ziet hier een tiental deurbellen aan slechts één gebouw hangen. Heel wat mensen in armoede wonen hier bij elkaar en hebben door plaatsgebrek vaak geen badkamer. Voor 2,50 euro per persoon kunnen ze terecht in het badhuis, maar een maaltijd in een sociaal restaurant kost ook weer geld. Voor wat hoort wat lijkt vandaag het principe, maar dat maakt dat mensen in armoede dagelijks moeten kiezen tussen wassen of eten.’
Wanneer we de Hoogstraat inwandelen, kan het contrast niet groter zijn met de Samaritaanstraat. Het straatbeeld wordt gedomineerd door hippe tweedehandswinkels en brocanterieën, volgens Sonja een spijtig gevolg van gentrificatie in de wijk. ‘Een tweedehandswinkel was vroeger een plaats waar iemand in armoede aan een lage prijs toch leuke spullen op de kop kon tikken. Door de trend rond thriften schieten de prijzen de hoogte in en worden veel Marolliens uitgesloten.’

‘Misverstanden door onwetendheid’
Onze gedreven stadsgids sluit de wandeling af in het hartje van de Marollen, in het badhuis aan het Vossenplein en eindigt met de boodschap waarmee ze begon: ‘Hoe meer ge weet, hoe meer ge weet dat ge eigenlijk niet veel weet. Hoe meer dat ge zegt dat ge alles weet, weet ik dat ge niet alles weet, want dan weet ge niet wat ge niet weet. Dat zei Socrates. Onwetendheid is de bron van alle kwaad. Ik geloof dat de mens goed van aard is, maar soms beïnvloed wordt door zijn onwetendheid. Hoe meer je leert, hoe meer je vergeet, maar de mens stond hier centraal.’
Sonja’s inspirerende woorden galmen door de inkomhal van het badhuis. ‘Ik wil afsluiten met de volgende woorden: wie Brusselmoe is, is levensmoe. Wie levensmoe is, is Brusselmoe. Ik hoop dat je deze woorden onthoudt. En ik zou zeggen, I had a dream. Tot ziens, ik hoop het.’

Rechts: Tijdens de coronacrisis stelde de eigenaar van hotel Galia aan het Vossenplein zijn deuren open voor daklozen en vluchtelingen.
Foto: ©Flora Granecz
Tekst: Flora Granecz



