INTERVIEW – Václav Flegl over filmen in Oekraïne: “We wilden laten zien hoe het er écht aan toe ging aan het front”
De Tsjechische film War Correspondent volgt oorlogsreporter Martin Dorazín aan het werk in Oekraïne. Geluidsman Václav Flegl ging met hem op pad in het conflictgebied: “Je bent continu op je hoede.”
Eind 2024 trok Flegl met zijn team naar het front in Oekraïne om Dorazín te volgen. Vanuit de Tsjechische hoofdstad Praag namen ze de trein naar Dnipro, een stad die sinds de Russische inval in 2022 aan de frontlinie staat. Ze brachten de mensen in beeld die ondanks de dreiging van bommen in het conflictgebied bleven wonen. Flegl was verantwoordelijk voor het geluid, maar speelde ook een rol in het productieproces. 150 uur aan filmmateriaal resulteerde uiteindelijk in een film van een uur en achttien minuten. “We wilden de kijker laten zien wat er daar gebeurt.”
Hoe is het idee voor de documentaire ontstaan?
“Toen de oorlog begon, in februari 2022, werd Martin Dorazín plots de belangrijkste stem van Oekraïne. Hij was de enige vaste correspondent die voortdurend in het land bleef, terwijl velen vertrokken. Via de radio bracht hij elke dag verslag uit. Niet alleen voor de Tsjechische omroep, maar ook voor de Slowaakse. Iedereen kende zijn werk, maar niemand had hem ooit op het scherm gezien. We kenden hem in Tsjechië dus vooral van zijn stem, maar we wisten niet wie de persoon erachter was: dat vonden we fascinerend.”
“Het was onze collega Petra Procházková, een ervaren oorlogscorrespondent uit de jaren ’90, die ons op het idee bracht om hem te filmen. Ze kende Martin goed en zei: ‘Laat de mensen zien wie hij is, toon hen hoe hij écht aan het front te werk gaat.’ In een tijd van desinformatie en wantrouwen kan beeld het verschil maken. Door hem te tonen, konden we het onzichtbare tastbaar maken.”
Was er in Tsjechië twijfel over wat er in Oekraïne gebeurde?
“Ja, zeker. Er zijn veel mensen die door propaganda niets meer vertrouwen. Voor hen is zelfs een oorlog niet geloofwaardig. Een deel van de bevolking leeft in een soort cognitieve dissonantie: ze horen wat er gebeurt, maar willen het niet geloven. Onze film moest helpen om dat gat te overbruggen, al merk je dat zelfs onze beelden hen niet altijd overtuigen.”
U bent zelf ook naar Oekraïne gereisd om te filmen. Hoe bereid je zoiets voor?
“Dat was een lang proces. Eerst moesten we officiële toestemming krijgen van het Oekraïense ministerie van Defensie om te mogen filmen. Het duurde bijna twee maanden voor we die kregen — een kaart met een QR-code waarmee je mag filmen in oorlogsgebied.”
“Het voordeel was dat we onze eigen apparatuur hadden, dus we konden zelfstandig werken. Mijn collega, de cameraman, en ik hebben alles zelf bekostigd: de tickets van de reis van Praag naar Dnipro, een stad niet ver van de frontlinie. Gelukkig hadden we lokale vrienden die ons hielpen met huisvesting en veiligheid. In Dnipro vonden we een relatief goede plek om te verblijven: een laag gebouw, ver van militaire doelen en energiecentrales.”
Was het moeilijk om uw gezin achter te laten?
“Ja, natuurlijk. Dat was voor mij het moeilijkste moment. Toen ik mijn drie kinderen in Praag achterliet, vertelde ik hen niet in detail wat er zou gebeuren. Ik zei wel dat ik naar Dnipro zou gaan, maar ze wisten niet dat ik naar het conflictgebied ging omdat ik niet wilde dat ze nog banger zouden zijn. Wanneer ik terugkwam, gaf ik hen meer details.”
Wanneer besefte u de impact van de oorlog?
“Dat gebeurde aan de grens met Oekraïne. Daar zag ik vrouwen met kinderen, zonder hun mannen, want die mochten het land niet uit. Wij hielpen ze dan de zware valiezen te dragen. Toen we de grens overstaken, ontmoetten we de eerste mannen: bijna allemaal in uniform. Zo zag je echt dat een héél land in deze situatie leefde. Toen werd ik geconfronteerd met de gedachte hoe vrij we leven thuis. En dat we die vrijheid moeten beschermen.”
“Met de film willen we mensen laten beseffen wat er in Oekraïne gebeurt. Dat is ook een van de redenen waarom we hem hebben gemaakt: om te tonen hoe het er echt aan toegaat. Vanuit mijn perspectief met wat ik weet en kan, leek dit me het beste wat ik kon doen om bij te dragen, al was het risicovol.”
Was er een moment waarop u zelf echt bang was?
“Op een dag vloog er een drone op twee meter afstand van ons. Ik wist niet of die van de Oekraïners was of van de Russen. Gelukkig bleek het een Oekraïense te zijn. En dan zijn er de mijnen, de explosies op de achtergrond… Je leert luisteren. Aan het geluid kun je horen of een granaat aankomt of weggaat, of het dichtbij is of veraf. Mijn voorkennis als geluidman heeft mij daarin geholpen. Ook de Oekraïense collega’s leerden me dat als je de granaat hoort suizen, die nog onderweg is — als je niks hoort, is het te laat.’”
Hoe ging u om met die stress?
“Je leert continu alert te blijven. We gebruikten een app van de Oekraïense defensie, een kaart met alle veilige én onveilige plekken. In Oekraïne gebruikt de bevolking ook apps die realtime waarschuwen voor luchtaanvallen. Je krijgt dan een melding met de regio en de dreiging. Ook die app checkten de inwoners voortdurend.”
“Technisch leek het filmen op documentaires die ik eerder in de jungle maakte, waar je ook dagen zonder elektriciteit zit. Maar het verschil is de mentale druk: hier is de dreiging nooit ver weg. Elke keuze — een straat oversteken, een camera aanzetten — kan gevolgen hebben.”
Was er ook ruimte voor ontspanning?
“Ja, een beetje. Op een dag gingen we met Martin naar een sauna in Dnipro. Je hoorde in de verte nog explosies, maar het was tegelijk een vreemd kalm moment. De eigenaar vertelde trots over zijn cactusverzameling. Het was bijna surrealistisch: buiten oorlog, binnen warmte en stilte.”
“Maar echt ontspannen? Neen. Zelfs daar voelde je de spanning in de lucht. Toch waren dat kleine momenten van menselijkheid die je niet vergeet.”
Hoe benaderden jullie het filmen en vertellen van het verhaal?
“We probeerden met onze film meer informatie te brengen dan het dagelijks nieuws, dat kort en oppervlakkig is. We wilden hetzelfde onderwerp uitleggen, maar vanuit een ander perspectief en het dagelijkse leven van de mensen daar te laten zien. Hoe het hele conflict hun leven verandert, en wat mensen meemaken in een oorlogszone.”
Wat blijft je het meeste bij?
“Martin zelf was de allergrootste inspiratiebron.. Hij doet niet alleen zijn professionele werk, hij helpt ook de mensen ter plekke. Dat raakte me diep. Toen we bijvoorbeeld aan de rand van een stad waren, stuurde een vrouw hem een foto van een kat en vroeg of hij kon helpen het dier terug te vinden. Martin ging op zoek naar de kat en kocht een doosje om hem te vervoeren.”
“Op sommige plekken kregen we ook geld van mensen, dat Martin vervolgens gebruikte om anderen te ondersteunen. Zo hielp hij bijvoorbeeld Olek (een bakker), die netten kocht om wegen te beschermen tegen drones.
“Het inspireerde me ook enorm om te zien hoeveel mensen in Tsjechië bereid zijn om te helpen, vooral in het begin van de oorlog, toen er veel vluchtelingen waren. In de Tsjechische Republiek waren dat er relatief veel, omdat de taal dichter bij het Oekraïens ligt en veel Oekraïners er vroeger woonden. Velen openden hun huizen voor vluchtelingen, en nu helpen ze ook met geld en munitie. Dit toont voor mij wat ons mens maakt: niet alleen professioneel werk, maar ook openstaan voor wat er rondom je gebeurt. Het is ontroerend en motiverend tegelijk.”
“Naast Martin was ik ook diep onder de indruk van Olek de bakker. Het voelde alsof ik een ‘held’ ontmoette. Toen hij later in Praag was voor de première van de film, nodigde ik zijn hele familie uit. We boden hen accommodatie aan, ook al wilde hij zelf niet blijven. Zo konden we hen de ervaring van de première laten meemaken.”
Wat wilt u dat de kijkers onthouden?
“Dat de oorlog zo dichtbij is. We willen dat de kijkers zien wat er daar gebeurt. Daarnaast willen we de publieke media beschermen. Er is zoveel misinformatie, vreemd nieuws en propaganda om ons heen, dat het erg belangrijk is om een onafhankelijke publieke media te hebben.”
Tekst: Elias Rom
Foto: Vaclav Flegl



