04/12/2025

Is het uittreksel uit het strafregister voor vrijwilligers een bescherming of schijnveiligheid?

De Vlaamse regering beslist dat vanaf nu ook vrijwilligers in het jeugdwerk een uittreksel uit het strafregister moeten voorleggen wanneer ze met minderjarigen werken. Tot nu toe gold die verplichting enkel voor mensen die professioneel met jongeren werken. Met de uitbreiding wil de regering alle sectoren op dezelfde manier screenen en risico’s beperken. Binnen het jeugdwerk zelf roept de maatregel zowel begrip als grote bezorgdheid op. 

De maatregel komt er omdat jeugd- en armoedeorganisaties tot nu toe als enige sector vrijgesteld waren van de verplichting. De regering ziet dat als een inconsistentie in het beleid en wil vermijden dat mensen met bepaalde veroordelingen opnieuw in contact komen met kinderen. Vrijwilligers onder twintig jaar blijven wel vrijgesteld, omdat zij bijna altijd een blanco strafregister hebben en een controle volgens de overheid vooral extra administratieve last zou opleveren. 

Bij De Ambrassade, de schakelorganisatie tussen het jeugdwerk en beleid, en de Vlaamse Jeugdraad, het officieel adviesorgaan van de Vlaamse regering voor kinderen, jongeren en hun organisaties, wordt de maatregel met gemengde gevoelens bekeken. Beleidsmedewerker Mentaal Welzijn en Integriteit Aagje Rottiers ziet een aantal redenen waarom er begrip bestaat voor de nieuwe regel. Volgens haar bestonden er al “regels in andere sectoren die elkaar tegenspraken “. Lokale werkingen werden daardoor geconfronteerd met verschillende verplichtingen, afhankelijk van het soort subsidies of activiteiten. “Op dat vlak is het goed dat er uniformiteit in komt”, zegt Aagje. Ook de intentie begrijpt ze aangezien sommige organisaties met kinderen en jongeren in bijzonder kwetsbare situaties werken.  

Weinig nuance 

Toch plaatst Rottiers belangrijke kanttekeningen. Volgens haar is het uittreksel uit het strafregister een instrument dat weinig nuance biedt. Ze wijst erop dat zowel zware als lichte feiten op hetzelfde document terechtkomen, waardoor de interpretatie moeilijk wordt voor jeugdwerkers zonder juridische expertise. Zo vertelt ze dat op het strafregister niet alleen ernstige zedenfeiten verschijnen, maar ook relatief kleine misstappen. “Dat kan bijvoorbeeld ook zijn als je hebt geplast in het openbaar en dat jonge mensen daar getuige van waren.” Het gevolg is dat jongeren met een eenmalige fout soms voor een langere tijd uitgesloten dreigen te worden. “In hoeverre moet die dan blijvend gestraft worden en daardoor geen engagement meer kunnen opnemen, ook niet met kinderen en jongeren?” Tegelijk nuanceert ze dat sommige feiten wel degelijk een grens vormen. “Voor bepaalde feiten is het zeer belangrijk dat er geen tweede kans voorkomt.”  

Aagje benadrukt dat onderzoek juist het belang toont om kansen te geven aan jongeren die ooit in de fout gingen. “Reïntegratie in de samenleving is belangrijk.” De beleidsmedewerker vraagt zich af “of je op zoveel sectoren tegelijk de toegang moet ontzeggen.” Volgens haar zou er extra moeten geïnvesteerd worden in justitie, zodat mensen die wel een risico vormen op de juiste manier worden opgevolgd. “We moeten extra investeren in justitie, om bepaalde mensen zo goed mogelijk op te volgen en om organisaties niet in een controlerende vibe te duwen.” Ze benadrukt dat het bovendien om “een kleine groep” gaat en dat feiten die zwaar genoeg zijn om op een uittreksel te verschijnen al stevig vervolgd worden.  

Een andere opvallende beslissing is dat de verplichting pas geldt vanaf twintig jaar. Rottiers noemt dat “een pragmatische regel”, vooral omdat jongeren op die leeftijd zelden een strafblad hebben en de verplichting voor hen dus vooral administratieve belasting zou creëren. Ze wijst er ook op dat die leeftijdsgrens in andere contexten al gebruikt werd. “In de sport lag dit getal al op 20 jaar en in Wallonië werd die leeftijd sinds mei 2024 ook toegepast.” 

Preventie als kern 

Volgens haar ligt de kern van preventie tegen zedenfeiten niet in papierwerk, maar in de cultuur die organisaties zelf opbouwen. Rottiers benadrukt dat veel grensoverschrijdend gedrag ontstaat in de dynamiek tussen jongvolwassenen. “Om specifiek zedenfeiten in het jeugdwerk te voorkomen, gaat het veel meer over seksuele grenzen tussen jongvolwassenen”, zegt ze. Volgens haar vraagt dat geen extra formulieren, maar blijvende pedagogische investering. “We moeten blijven inzetten op sociale-emotionele ontwikkeling in het onderwijs, maar ook in de jeugdvereniging.” Dat betekent volgens haar werken aan een integriteitsbeleid, op bespreekbaarheid en mensen begeleiden die grenzen verkeerd inschatten zodat er geen effectieve zedenfeiten komen. Voor volwassen plegers van ernstige feiten ligt voor haar de verantwoordelijkheid elders. “Specifieke profielen moeten degelijk opgevolgd worden zodat zij zich niet aanmelden bij instanties zoals het jeugdwerk.” 

Efficiënt middel of extra drempel?  

Terwijl de maatregel bedoeld is om veiligheid te garanderen, blijft voor de Vlaamse Jeugdraad de vraag of het uittreksel uit het strafregister daarvoor werkelijk een efficiënt middel is. De verplichting brengt duidelijkheid, maar kan tegelijk jongeren met kleine misstappen buitensluiten en legt extra verantwoordelijkheid bij organisaties die daar niet altijd op voorbereid zijn. De komende jaren zal moeten blijken of de maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan de veiligheid van kinderen en jongeren of eerder nieuwe drempels en vragen oproept binnen een sector die sterk afhankelijk is van vrijwillige inzet. 

 

Tekst: Noura Kaddaoui

Beeld: Annie Spratt via Unsplash