“Als je lak hebt aan onze duurzame inspanningen, dan zijn er andere festivals waar je plezier kan hebben”
Een festival dat zichzelf ‘het duurzaamste ter wereld’ noemt, Paradise City Festival, worstelt met zijn eigen succes. Het publiek groeit en daardoor vervaagt de oorspronkelijke kern van bezoekers die duurzaamheid écht serieus neemt. En deze vraag knaagt: tot waar mag een festival het gedrag van zijn bezoekers sturen, voordat inspireren opleggen wordt?
Het is een warme zomeravond in Perk bij Steenokkerzeel. Op de terreinen van het kasteel klinkt elektronische muziek over de wei die zorgvuldig is ingedeeld met recycleerbare podia van herbruikbare materialen. Paradise City Festival presenteert zichzelf niet zomaar als een of ander duurzaam evenement: het is het enigste festival ter wereld die zes jaar op rij de Outstanding Certification van A Greener Future (AGF) in ontvangst mocht nemen. In dat lijstje staan ook Øyafestivalen in Oslo, Glastonbury en het Portugese Boom Festival. Namen die klinken als een erelijst van de groene festivalwereld.

Het succes knaagt
Het grootste knelpunt voor Paradise City gaat niet om het technische verhaal. Het is de menselijke kant. Gilles De Decker, CEO van Paradise City Festival, verwoordt het zonder omwegen: “Een groot deel van de mensen die nu op de camping slapen, komt naar Paradise City omdat het populair is en niet omdat het het duurzaamste festival is. Dat is de uitdaging om ook die mensen mee te krijgen in onze filosofie.”
Het festival begon in 2015. In de beginjaren van het festival was duurzaamheid, volgens De Decker: “helemaal in de mode en hip”. De groene partij stond hoog in de politieke peilingen. Vandaag is het klimaat objectief gezien slechter dan tien jaar geleden, maar duurzaamheid voelt voor een deel van het publiek precies ‘out of fashion’. “Tegenwoordig vinden mensen duurzaamheid precies ‘out-fashion'”, zegt De Decker. “Maar het blijft, ondanks alle media, wel zo dat de vervuiling verspreid wordt door de mensheid. Het is niet iets modieus, maar het is broodnodig dat we ons erop blijven inzetten.”
Nu slapen er zo’n 6000 mensen op de camping. Die groei heeft een prijs. “Hoe kunnen we vanuit gemeenschapsgevoel en sociale controle er toch voor zorgen dat iedereen onze filosofie meedraagt? Dat hebben we bij een deel van ons publiek, maar dat hebben we ook een stukje verloren door de groei van het festival. Dat willen we terugwinnen.”
Het beste voorbeeld van dat probleem? Witte partytentjes. “Voorbije jaren lag de camping na afloop vol met witte partytentjes”, vertelt De Decker. “Logisch, want dat soort tenten krijg je praktisch niet meer ineengevouwen. Mensen laten ze gewoon achter.”
De KBC-tent als testcase
Dit jaar grijpt Paradise City in. Campingbezoekers mogen geen eigen partytentje meer meebrengen. In samenwerking met KBC voorziet het festival kwalitatieve herbruikbare tenten ter plaatse, mits een waarborg van honderd euro die je terugkrijgt als je de tent onbeschadigd terugbrengt.
Het is een maatregel die een belangrijke vraag oproept: waar ligt de grens tussen inspireren en opleggen?
“Het is een tricky verhaal”, geeft De Decker toe. “In principe is te veel regels opleggen nooit een goed idee. Het blijft een festival en mensen komen om plezier te maken. Wij proberen eerder te inspireren dan op te leggen.” Maar tegelijk is hij duidelijk over wat hij van bezoekers verwacht: “Wij als organisatie leveren genoeg inspanningen, ook financieel, dat het voor de campingbezoeker een vlotte operatie is. Het kost hen geen geld. Wij vragen alleen een waarborg zodat we de tenten het jaar nadien kunnen herbruiken. Ik vind niet dat we veel opleggen. We maken het eigenlijk heel eenvoudig.”
En wat met wie het toch te ver vindt gaan? De Decker is daar eerlijk over: “Als je lak hebt aan onze duurzame inspanningen, dan zijn er andere festivals waar je plezier kan hebben. Wij staan voor een bepaalde filosofie en Paradise City is niet voor iedereen.”
Het klinkt hard. Maar de cijfers geven De Decker de nodige dekking: het festival heeft drie keer meer vraag dan aanbod voor de camping. Hij kan het zich permitteren om selectief te zijn.
Zes jaar lang op de groene troon
“Alle audits worden ingehuurd door hun klant”, geeft De Decker zelf toe als hij gevraagd wordt naar de onafhankelijkheid van de AGF-certificering. Want uiteindelijk baseerd deze evaluatie zich op zelfrapportering vanuit het festival zelf. A Greener Festival (AGF) is een non-profitorganisatie die festivals en evenementen begeleidt en inspireert om milieuvriendelijker en duurzamer te worden. “Er zijn natuurlijk uitzonderlijke gevallen dat er belangenvermenging is. Maar AGF is een non-profitorganisatie, een vzw. Wat wij daaraan betalen is puur kosten-dekkend. Zij auditeren honderden andere festivals en niet iedereen krijgt vier sterren.”
Gunilla De Graef, lector en onderzoeker bij het onderzoekscentrum Publieke Impact van Karel de Grote Hogeschool, die gespecialiseerd is in duurzaam evenementengedrag, bevestigt dat er binnen de festivalsector nog geen universeel gestandaardiseerd meetsysteem bestaat. “Drie jaar geleden hebben wij een onderzoek gedaan naar die meetinstrumenten. Toen viel mij op dat er geen één gestandaardiseerd systeem is. AGF heeft bepaalde standaarden waaraan festivals moeten voldoen om zichzelf duurzaam te noemen. Die hebben allemaal wel dezelfde acht à negen beoordelingselementen (mobiliteit, energie, catering, water, biodiversiteit, …) maar hoe ze dat evalueren en met welke indicatoren, dat verschilt wel. Het is inderdaad lastig dat er niet één bindend meetinstrument is.”
Paradise City doet het volgens die elementen relatief goed. Zo’n 54 procent van de energie op het festival komt uit hernieuwbare bronnen. Iets meer dan de helft, maar De Graef nuanceert: “Op zo’n festival zijn er dingen waar zij zelf controle over hebben met betrekking tot energie, maar zij werken ook samen met externe foodtrucks, shuttles naar het treinstation. Dat zijn dingen waar zij vaak niet de volledige controle over hebben. Ik denk dat 54% niet slecht is.”

Leren uit het verleden
Paradise City heeft geleerd van zijn eigen fouten. Vroeger betaalden bezoekers die niet carpoolden meer. De maatregel had een goede bedoeling, maar de uitvoering sloeg erg tegen. “Dat werd snel gepercipieerd alsof wij onze zakken wilden vullen met geld, wat niet zo is”, legt De Decker uit. “We kondigden het soms nog aan als afschrikkend effect, maar voerden het niet uit.”
Het is een illustratie van hoe gevoelig de relatie tussen festival en bezoeker is. Een maatregel die rationeel goed klinkt, kan slecht uitpakken als de communicatie er niet bij aansluit. De timing bleek cruciaal bij een andere ingrijpende keuze: volledig plantaardig eten. Het festival overwoog de stap al jaren eerder, maar durfde niet. “We voelden dat toen het publiek er nog niet klaar voor was”, zegt De Decker. “We hebben het uiteindelijk wel doorgevoerd in 2025 zonder problemen.”
De Graef, die zelf onderzoek deed naar de ervaring van bezoekers van het cateringbeleid van Paradise City, is opvallend lovend over hoe het festival die verandering aanpakt. Niet door te schreeuwen met het woord ‘vegan’, maar door plantaardige voeding te normaliseren. “Ik vind het bij Paradise City net heel interessant dat zij niet heel uitgesproken communiceren over die plantaardige voeding. Op het festival zelf is de organisatie niet de hele tijd het in je gezicht aan het drukken dat ‘dit VEGAN’ is. Nee integendeel, zij willen juist die keuze voor plantaardige voeding heel erg normaliseren.”
Dat sluit aan bij wat onderzoek aantoont: mensen reageren terughoudend op gerechten die expliciet als ‘vegetarisch’ of ‘veganistisch’ worden benoemd, omdat zulke labels de focus verschuiven van smaak naar identiteit. Noem het een ‘lasagna van de chef’ in plaats van een ‘veggie lasagna’, en de drempel verlaagt meteen. “Onze bezoekersbevraging toonde dat bezoekers het waarderen dat die plantaardige stempel niet expliciet op alles gedrukt wordt”, zegt De Graef.
Dat is geen kleine vaststelling. In een online representatief panel bij 754 Vlamingen, van het KdG-onderzoekscentrum Publieke Impact bleek smaak de absolute topprioriteit bij eetkeuzes op evenementen: 96 procent van de respondenten noemde het belangrijk tot zeer belangrijk. De ecologische impact van een gerecht eindigde pas op de zevende plaats. De les voor Paradise City is helder: wie mensen wil bewegen, moet beginnen bij genot, niet bij geweten.
Transport: de berg die blijft
Op het vlak van mobiliteit is de strijd het hardst. Vervoer vertegenwoordigt gemiddeld bijna de helft van de totale CO2-uitstoot van een festival. Volgens het AGF-rapport komt 25,9 procent van de Paradise City-bezoekers met het openbaar vervoer; 31,5 procent met de auto, wat het grootste aandeel blijft.
“Transport is voor alle events de grootste CO2-uitstoot”, erkent De Decker. “Paradise City doet dat in vergelijking met anderen op de markt uitzonderlijk goed. We hebben nachttreinen, shuttles en een mobiliteitsplan dat is aangepast op duurzaamheid.” De investering in die bussen is volgens hem immens, terwijl de prijs voor bezoekers bewust laag wordt gehouden.
Maar een autovrij festival? Dat gaat hem voorlopig te ver. “Zaken opleggen zoals ‘je mag niet met de wagen komen’, daar is vandaag onvoldoende draagvlak voor en het is ook niet realistisch. Dat is een beetje hetzelfde als zeggen dat je geen sigaretten mag roken op het festivalterrein. Dingen verbieden is niet de manier waarop wij ons doel willen bereiken.”
Het onderzoekscentrum Publike Impact stelt in hun onderzoek vast dat 60 à 70 procent van de ecologische voetafdruk van festivals in dat ene deeltje mobiliteit zit. Ze zien een structurele oplossing: “Eventorganisatoren kunnen hun festival organiseren op plekken die makkelijk bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. Als je echt verandering wilt zien, ga je je moeten inzetten op de gewoonten van de bezoeker. Maar ook zij pleiten niet voor verbod: “We moeten ervoor zorgen dat de duurzame keuze de makkelijke keuze wordt.”
Het paradox van de groei
Een van de meest verrassende inzichten in het gesprek met De Decker is zijn verdediging van groei als milieuargument. “Een Belg stoot gemiddeld zo’n twintig kilogram CO2 uit op een gewone dag. Op Paradise City is dat maar negen kilogram per dag. Een dagje op ons festival is daardoor duurzamer dan je gewone dagelijkse activiteiten. In plaats van met de auto naar de bomma te rijden en steak met friet te eten, ga je met de trein naar Paradise City en eet je plantaardig.” Dat een gemiddelde Belg zo’n 20 kilogram CO2 uitstoot bevestigt ook het VMM (Vlaamse Milieumaatschappij).
De logica is verleidelijk: hoe meer mensen die keuze maken, hoe groter het netto milieuvoordeel. Maar de gemeente Steenokkerzeel laat geen verdere uitbreiding toe, en het festival zelf wil alleen “heel traag en organisch” groeien, “als er voldoende draagkracht is vanuit bezoekers, organisatie en gemeente”. De capaciteit blijft voorlopig staan op vijftienduizend bezoekers per dag.
Die beperkte schaal heeft een financieel gevolg. “Rock Werchter heeft tachtigduizend bezoekers per dag”, legt De Decker uit. “Wat de productie kost bij Rock Werchter is in absolute cijfers hoger dan bij Paradise City, maar per bezoeker slechts één vierde van wat wij betalen. Dat maakt Paradise City minder rendabel en geeft de perceptie dat het duurder is.” De ticketprijs voor drie festivaldagen plus camping lag dit jaar vijftig euro hoger dan vorig jaar. Dit jaar betaal je voor 3 dagen festival plus camping 320 euro. De duurzame keuzes zoals zonnepanelen, herbruikbare materialen en elektrische shuttlebussen wegen zwaar op de financiele status van een klein festival zonder schaalvoordelen.

De grenzen van het merk
Toch is Paradise City niet bereid zijn principes in te ruilen voor grotere inkomsten. Op een gegeven moment ontving het festival een aanbod van een oliebedrijf dat zijn ‘duurzame inspanningen’ in de kijker wilde zetten. “Met een oliebedrijf in zee gaan leek ons contraproductief, ondanks dat het om een gigantisch bedrag ging”, zegt De Decker. “Ons merk is elf jaar lang opgebouwd op basis van transparantie: uitleggen wat we doen en waarom we het doen, en fouten toegeven. Als je dat in gevaar brengt door grote sponsors binnen te halen die niet matchen met onze duurzaamheidsvisie, geeft dat een negatieve impact op ons merk én onze idealen.”
Dezelfde logica geldt voor de artiestenkeuze. Paradise City boekt bewust geen grote namen die per privéjet reizen. “Als artiesten specifiek naar Paradise City willen komen met een privéjet, boeken wij die niet”, zegt De Decker stellig. Welke namen er om die reden zijn afgehaakt, wil hij niet zeggen: “dat zou de artiesten en agenten waarmee we samenwerken niet appreciëren”, maar het is al meerdere keren voorgekomen.
Het festival richt zich op de undergroundscene, een segment dat zich doorgaans minder per privévliegtuig verplaatst. Maar de keuze om een populairdere naam te laten schieten omwille van principe, is een meetbaar verlies aan publiek en inkomsten: het festival kiest bewust voor gemiste kansen.
Inspireren zonder te betuttelen
Hoe doe je dat dan, gedrag veranderen zonder te verbieden? De Graef heeft daar duidelijke opvattingen over. Affiches met ecologische boodschappen hebben weinig effect, zegt ze. “Sensibiliseren met banners, je mag dat doen, maar dat heeft niet veel impact.” Wat wél werkt: de duurzame keuze zo vanzelfsprekend mogelijk maken. “Als we erin slagen om mensen de dingen vanzelfsprekend te laten doen, dan denk ik dat mensen dat wel gaan doen.”
Ze ziet potentieel in de sociale dynamiek van festivals. “Je moet de sociale norm gaan verschuiven en ervoor zorgen dat het vanzelfsprekend wordt dat je die keuzes maakt, en dat jij dan niet meer de rare in het groepje bent die voor een vegetarisch foodstandje gaat staan.” De trein nemen. Plantaardig eten. Een waarborgsticker op de beker plakken. Stuk voor stuk zaken die normaal worden als iedereen ze doet.
Maar De Graef waarschuwt ook voor de zogenaamde ‘value action gap’: de kloof tussen wat mensen zeggen belangrijk te vinden en wat ze effectief doen. “Bezoekers zeggen dat ze het klimaat belangrijk vinden en dat ze willen dat er maatregelen worden genomen. Maar ze passen hun gedrag daar niet altijd op aan. En wij proberen die brug te doen.”

Een festival voor mensen die het menen
Uiteindelijk draait de filosofie van Paradise City rond een fundamentele keuze: voor wie doe je het? “Wij zijn een festival voor de mensen die duurzaamheid en ecologie in het hart dragen, en die proberen we vooral aan te trekken”, zegt De Decker. Dat klinkt exclusief. En dat is het in zekere zin ook. Een festival dat zijn bezoekers vraagt om een waarborg te betalen voor een tent, dat geen vlees serveert, dat bewust geen grote namen boekt en dat je vraagt na te denken over hoe je er naartoe reist, is niet voor iedereen weggelegd. Maar De Decker ziet dat niet als een probleem. Eerder als een statement.
Of dat model houdbaar is op langere termijn, in een tijdperk waarin duurzaamheid voor velen ‘out of fashion’ lijkt? De Graef is voorzichtig hoopvol: “Dat bewustzijn omtrent duurzaamheid is aanwezig en lichtjes groeiende. Als we erin slagen om mensen de dingen vanzelfsprekend te laten doen, dan ben ik heel hoopvol dat bezoekers zich niet gaan verzetten tegen die acties.”
De grootste uitdaging voor Paradise City is intussen misschien niet technisch. Niet de energiemix, niet de herbruikbare tenten, niet de shuttlebussen. Het is het menselijke vraagstuk: hoe houd je een gemeenschap in stand terwijl het festival populairder wordt en de tijdgeest kantelt? “We hebben een stukje verloren bij de groei van het festival”, erkent De Decker. “Dat is een stukje dat we willen terugwinnen.”
Hoever een festival kan gaan in het sturen van zijn bezoekers? Dat weet niemand precies. Maar Paradise City test die grens elk jaar een beetje verder, en rekent daarvoor op het geweten van wie daarin meegaat.
*Bronnen: Interview met Gilles De Decker, CEO Paradise City Festival; interview met Gunilla De Graef, onderzoeker Publieke Impact Karel de Grote Hogeschool; AGF Outstanding Certification rapport; KdG-onderzoeksrapport ‘Een shift op het menu: Hefbomen voor een plantaardig aanbod op evenementen’ (2025)*



