16/06/2026

“Ik wil tonen dat je gewaagde films kan maken, óók met weinig budget”: Regisseur Alexander Wolfgang Smadja imponeert met kortfilm ‘The World is My Idea’

Wie Belgische cinema associeert met brave, traditionele filmerij, moet dringend kennismaken met Alexander Wolfgang Smadja (32). De opkomende Brusselse regisseur wil met zijn werk namelijk één ding bewijzen: dat de vaderlandse cinema ver buiten de lijntjes durft kleuren. Het beste bewijsstuk daarvan: zijn kortfilm ‘The World is My Idea’, waarmee hij al verschillende prijzen in de wacht sleepte.

 

Je kortfilm ‘The World is My Idea’ is geen hapklare kost: het lijkt wel een absurditisch delirium. Toch heeft het project, ondanks die nachtmerrieachtige vibe, al prijzen gewonnen op kortfilmfestivals in Gent, Leuven én Lissabon. Hoe heb je het juiste doelpubliek voor zo’n niche project gevonden?

Smadja: Ik had eigenlijk geen doelpubliek voor ogen tijdens het maken van de film, eerst wilde ik hem gewoon maken. Wat daarna zou komen, kwam daarna. Tijdens het maken hoopte ik enkel op een selectie voor het BIFFF (Brussels International Fantastic Film Festival, KR) en héél misschien Kortfilmfestival Leuven. Tegelijkertijd was ik niet zeker of BIFFF het juiste festival zou zijn. Het publiek daar wil vooral bloed zien, terwijl mijn film ook een filosofische laag heeft. Toch heeft die film op een manier het juiste doelpubliek gevonden: zo werd ik ineens genomineerd voor de kortfilmcompetitie van Film Fest Gent! Het heeft me echt geraakt dat die film zo resoneerde met mensen. Sommigen stuurden me achteraf zelfs berichtjes over de impact van de film op hen.

 

Wat stuurden ze dan?

Smadja: Dat ze de thema’s van de film herkenden: druggebruik, depressie, uitgaan om de dag erna met een kater te gaan werken, … . Ik heb berichten gekregen van mensen die uitgingen, daarna alleen in bed wakker werden met een kater en dan aan de film moesten denken.

 

Regisseur Martin Scorsese gaf ooit het advies “film what you know”. Hoe pas je dat toe op deze film?

Smadja: Net als het hoofdpersonage heb ik lange tijd gewosteld met druggebruik en mentale problemen. Daarnaast ben ik opgegroeid zonder vader en dus was mijn moeder heel aanwezig – ook dat zit in de film. Daarbovenop is er een zeker coming of age-aspect in de film: het gevoel dat je als jong persoon niet weet wat je plaats in het leven juist is. In het begin van mijn filmstudies deed ik eigenlijk het tegenovergestelde: ik zocht mijn ideeën voor films altijd ver van mij, waardoor het soms érg absurd werd. Bij deze film ben ik het, net zoals Scorsese zegt, dichter bij mezelf gaan zoeken. Op de laatste draaidag was ik echt emotioneel: het personage dat mijn hoofdactrice Raphaelle neerzette, was een soort veruitwending van mezelf en mijn vroegere problemen.

 

Van waar komt je passie voor cinema eigenlijk?

Smadja: Ik ben opgegroeid in een sterke beeldcultuur: thuis en bij mijn grootouders stond de televisie altijd aan. Er was dus steeds een sterke beeldcultuur aanwezig. Ik was ook enig kind, dus ik verbeeldde me veel dingen om me bezig te houden. Daarnaast zat ik op ee Steinerschool, wat sowieso vrijer en artistieker is. Per trimester werd er gefocust op theater of andere kunstvormen. Op die manier heb ik geleerd dat dingen die ‘niet echt’ zijn toch echt kunnen aanvoelen. Een doorslaggevend moment vond plaats toen ik elf of twaalf jaar was: toen kocht mijn moeder een dvd-box van Knack met daarin de beste films van pakweg 1999 tot 2004. Een film in die verzameling die me erg heeft getekend is ‘Lost in Translation’ van Sofia Coppola. Dat was de eerste ‘volwassen’ film die ik begreep en me raakte. Ik besefte dankzij die film dat cinema ook bestaat uit datgene wat me níet zegt. Ik heb zelfs een tatoeage van ‘Lost in Translation’ mijn been!

 

Van de subtiliteit van ‘Lost in Translation’ is er nochtans niet veel te merken in je werk. Nu wordt je oeuvre gekleurd door invloeden uit cult- en B-films.

Smadja: Ik heb een fascinatie voor buitengewone, extreme zaken die tegelijkertijd ‘fun’ zijn. In B-films is dat vaak het geval: je zal er altijd een idee tegenkomen dat je nooit in ‘A-films’ zal zien. Zeker in de jaren ‘80 en ‘90 waren B-films een manier om counterculturele verhalen te vertellen die men nergens anders kon vertellen.

 

Filmische identiteit

 

Wanneer wist je dat je film wilde gaan studeren?

Smadja: Ik ben pas met filmschool begonnen toen ik 24 jaar was. Mijn middelbaar heb ik nooit afgemaakt: ik heb concentratieproblemen en was geen goeie leerling. Toen ik 18 jaar was, heb ik het middelbaar zonder diploma verlaten. Toch ben ik bij LUCA School of Arts binnengeraakt met een ingangsonderzoek, een procedure waarbij studenten die geen diploma secundair onderwijs hebben toch in het hoger onderwijs kunnen verder studeren. Dat heb ik drie keer moeten doen en dan ben ik ten slotte binnengeraakt. Tussen die twee studies hield ik me bezig met visuals te maken voor feesten en beginnende artiesten als UM!. Ook hielp ik mee aan een reportage over een tournee die Zwangere Guy samen met UM! en Lefto in Japan maakte.

 

Wat heb je geleerd van dat videowerk dat je ook in je kortfilms toepast?

Smadja: Werken met weinig of geen budget, hoe visual effects werken en monteren: in videoclips heeft het montagewerk vaak een koortsachtig effect – dat zit ook in m’n films.

 

Met welke moeilijkheden heb je geworsteld als beginnend filmmaker?

Smadja: De concurrentie: iedereen wil films maken! Het moeilijkste is dan ook simpelweg om door te zetten, wat heel wat karakter vergt. En ook: niemand zit te wachten op je film. Misschien is dat wel het moeilijkste: inzien dat amper iemand iets om je film geeft en tóch doorgaan. En ook werken met weinig budget en middelen is lastig. Daar zijn we wel geregeld op gebotst tijdens het draaien van ‘The World is My Idea’.

 

Dat zou je niet snel zeggen: de decors in ‘The World is My Idea’ zijn, ondanks het budget, echt indrukwekkend.

Smadja: Ja, maar daar zit natuurlijk een budgetvriendelijke techniek achter om dat zo te doen lijken. Ik moest continu zeggen tegen de mensen rondom mij dat ik in die aanpak geloofde. Cinema maken is een marathon, geen sprint: als je te snel wil werken, bots je op moeilijkheden en blijf je teleurgesteld achter.

 

Is er volgens jou genoeg steun vanuit de Vlaamse overheid of andere organisaties voor beginnende regisseurs?

 Smadja: Ik weet niet of ik een positie zit om daar nu al over te oordelen. Mijn film is nog maar twee jaar oud en ik ben nu bezig met een aanvraag voor het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds, KR) voor mijn tweede film. Er zijn zeker geen slechte kansen in België voor beginnende regisseurs, alleen is er veel te weinig budget beschikbaar voor het aantal regisseurs. Maar het systeem van het VAF lijkt me wel vrij eerlijk: je hebt twee kansen om een dossier in te dienen en dat wordt beoordeeld door een commissie van tien externe personen. De samenstelling van die groep verandert ook regelmatig. Als pas afgestudeerde student is het vooral moeilijk om geld te vinden om kortfilms mee te maken. Kortfilms zijn daarbovenop een niche, dus je móet wel je weg naar kortfilmfestivals vinden, wat opnieuw geld kost. Maar in België mogen we niet klagen: mijn vriendin maakt ook films en woont in Denemarken en daar is er géén geld voor kortfilms. Men raadt er afgestudeerden aan om direct langspeelfilms te maken! De selectiecommissie daar bestaat ook uit slechts één persoon! Als die je niet mag, gaat je idee automatisch de vuilbak in.

 

Wat zijn je tips voor beginnende regisseurs?

Smadja: Probeer niet direct de beste film ter wereld te maken, dat is onmogelijk. In het begin van mijn carrière dacht ik dat ik dé film ging maken die alles ging veranderen, terwijl het juist belangrijk is om fouten te maken. En zoals Scorsese al aangaf: film dingen die vanuit jezelf komen en persoonlijk aanvoelen. Anders dreig je iemand of een stijl te herhalen in plaats van authentiek te zijn.

 

Welke hoop koester je voor toekomstige Belgische cinema?

Smadja: Meer openheid tegenover genrefilms. We hebben hier in België een traditie van klassieke cinema zoals die van de gebroeders Dardenne en Lukas Dhont. In cinema is dat klassieke echt ons ding, terwijl we in de schilderkunst een heel surrealistische traditie kennen. Dat laatste komt maar weinig terug in onze cinema. We moeten meer op zoek gaan naar een eigen filmische identiteit, want ik denk dat we die nog niet helemaal hebben gevonden. We denken in België nog te veel dat het soort cinema dat ik maak onmogelijk is om te maken. Dat is juist een van m’n doelen: aantonen dat je zulke films wél kan maken, ook met een klein budget.

 

Genoteerd. Laatste vraag: mocht je een film regisseren samen met een andere regisseur, dood of levend, wie zou dat dan zijn?

Smadja: Goeie vraag. (denkt na) Sowieso David Lynch, want hij is naast een creatieve inspiratiebron ook gewoon een enorm leuk persoon die zijn tijd nam om iets te maken. Ik heb echt het gevoel dat ik hem ‘ken’, ook al hebben we mekaar nooit ontmoet. Daarnaast zou ik graag eens scenario schrijven met Charlie Kaufman. Hij is, zeker in artistiek en creatief opzicht, de beste scenarist in mijn ogen. En Sofia Coppola natuurlijk, voor de impact die ze op mijn leven had met ‘Lost in Translation’.